TECHNIEK VAN HET SCHIETEN

ALGEMEEN

In veel gevallen is de schutter als kapitein van de ploeg spelbepalend en zal altijd schieten als dit meer punten kan opleveren (of meer kans heeft) dan met te pointeren. Belangrijk is te weten wanneer wel of niet mag worden geschoten, indien er een risico is dat na het schieten het punt naar de tegenstrever kan gaan doet men er best aan om niet te schieten! Een sterke schutter plaatst zijn bal precies in de plaats van de aangeschoten bal of blijft er heel dichtbij liggen, een gewone schutter is dan meestal tevreden met het wegschieten en mogelijks dan zelf min of meer in de buurt blijven liggen.

Soorten boules voor de schutter

Gewone:

  • Waarbij men tevreden is met enkel wegschieten van de bal van de tegenpartij

Carreau:

  • Waarbij men streeft naar het wegschieten en zelf in de buurt blijven liggen.

Pille:

  • Waarbij men streeft naar het wegschieten en op exact dezelfde plaats blijft liggen.

Poep:

  • Als de eigen bal plakt tegen de bal van de tegenstander schiet men op eigen bal om zo de bal van de tegenstander weg te schieten.

But:

  • In uitzichtloze situatie probeert men  met de voorlaatste bal de but buiten te schieten.
  • Als de tegenpartij geen boules meer heeft en het eigen team nog meerdere boules over heeft probeert men de but buiten te schieten om nog meer punten te behalen.
Techniek van het schieten

Elke speler heeft een beetje zijn eigen manier/wijze van schieten waarbij de meeste spelers lichtjes voorover gebogen staan. Als men een eigen techniek redelijk onder de knie heeft doet men er best aan om deze te behouden. Men kan eventueel wel de (eigen) techniek verder verfijnen door bepaalde regels te volgen.

Een goede basis is meestal:

  • Men stapt in de ring en neemt een stevige stabiele houding aan.
  • Men concentreert zich op het te schieten object (boule/but)
  • Als rechtshandige verplaatst men zich een beetje naar links zodat de rechterarm zich rechtover het te schieten object bevind. (linkshandige vice-versa)
  • Men houd de boule met aangesloten vingers tamelijk stevig in de hand bij voorkeur zonder de duim te gebruiken.
  • Men neemt met zoveel mogelijk gestrekte arm een zwaai van achter zich aan.
  • Met een boog “legt” men dan de boule op het object (boule/but)
Slepend schieten
Lange afstand over de grond, enkel bij zeer effen terreinen te gebruiken zoniet wordt het resultaat moeilijk voorspelbaar.
Indirect schieten
Voornamelijk bij zanderige en vlakke terreinen te gebruiken. DE bal doen vallen +/- 30 cm voor de te schieten boule waarna deze dan verder de boule raakt.
Ijzer op ijzer schieten
In principe de beste (en meest spectaculaire) techniek en ook op onregelmatige terreinen te gebruiken. De te schieten boule recht in het midden te raken.
“CARREAU”
Algemeen
Onthoud dat op harde terreinen een bal gemakkelijk terug opwipt na het raken van de grond. De beste (maar ook moeilijkste) manier is het “ijzer op ijzer schieten”, eens men dit een beetje onder de knie heeft is dit niet zoveel moeilijker maar bekomt men wel betere resultaten.
Voornamelijk in Categorie 1 wordt veelal “slepend”geschoten.
  • Hierbij is men sterkafhankelijk van de toestand van het terrein.
  • Achterliggende boules zijn op deze wijze dan wel moeilijk of niet bereikbaar.
Veelal wordt ook veel te hard geschoten:
  • Men dient te schieten door de bal figuurlijk te “leggen” op de weg te schieten boule. 
  • De schuttersboule zal bij minder hard schieten gemakkelijk terplaatse, of in de buurt, blijven liggen.
  • Bij te hard schieten vliegt de schuttersboule zelf ook verder en gemakkelijk buiten de baan.
  • Hoe harder men schiet hoe minder kans op een “” carreau” (blijvende boule)
Opmerking: Topspelers schieten wel eerder hard met een lichte boogvorm en trekken daarbij met de pols om “corrigerend effect” terplaatse te blijven liggen.
Mogelijke verbeteringen (door te oefenen)
  • Altijd proberen “ijzer op ijzer te schieten
  • Het is duidelijk dat de staat van het terrein hierbij minder van invloed heeft.
  • Bij niet harder terreinen is hierbij de kans groter om terplaatse (carreau) te blijven liggen.
  • Boogworpen (“heffen genoemd”)
  • Goede boogworpen zijn deze waarbij de boule (meestal) een boog (parabool) beschrijft met het 
hoogtepunt iets hoger dan de ooghoogte.
Tips & Advies.
Bij het schieten dient men de werphand nooit de duim te gebruiken, deze kan onvrijwillig een afwijking tijdens het werpen veroorzaken.
Werpen met “corrigerend” effect
Vergelijkbaar met gyroscopisch effect waarbij de bal na contact met een andere bal eerder ter plaatse wil blijven (carreau) liggen.
  • Men steek “corrigerend effect” door de boule tijdens het werpen aan de vingertoppen in de handpalm te leggen en min of meer tijdens het schieten terug te trekken (polsbeweging).
Schieten over grote afstand;
  • Meestal beter om iets over de boule te mikken.
  • Heel grote zwaai beweging te gebruiken.
Schiet Oefeningen
Basisregel
Hier geldt maar één regel: oefenen- oefenen – oefenen.
In volgorde van moeilijkheidsgraad
Best uit te voeren te beginnen met de but op 6 m en dan verder in stappen van 1 m zowel rechtuit als diagonaal (links-rechts). Neem een goede vaste houding aan waarbij de gestrekte arm met een zwaai van achteraan in 1 beweging naar voren tot op zekere hoogte wordt uitgevoerd, hoe verder de afstand hoe groter de zwaai. Niet te vergeten dat grote krachten meestal uit den boze zijn voor het deponeren van de boule waar men dit wilt. Eens men het schieten tamelijk onder de knie heeft kan men als oefeningen beter beginnen op verre afstand en dan steeds dichterbij, dit heeft als gevolg dat de kortere afstanden dan gemakkelijker lijken te worden.
Ijzer op ijzer schieten om invloed van terrein te minimaliseren;
Inoefenen van houding en zwaai.
  • Houding: De uitgangshouding komt overeen met die van het staand plaatsen, slechts de romphouding verschilt, deze is iets meer gebogen. Ook de beweging is vrijwel gelijk, hier ligt het enige verschil in het gebruik van de pols. De pols wordt bij het schieten minder gebogen.
Houding
Plaats bijvoorbeeld een oude kleine scooter/moto-band en probeer telkens de boule daar in te werpen (moet er in blijven liggen
Zwaai
Plaats bijvoorbeeld een met steentjes gevulde (grote) plasticfles op korte afstand (+/- zelfde hoogte als de fles) voor de te schieten bal en probeer de bal zuiver te raken zonder de fles te raken
2 boules achter elkaar
Om de juiste afstand in te schatten plaats dan 2 boules achter elkaar met korte afstand (10 á 15 cm) en probeer enkel de achterste boule te schieten.
3 boules achter elkaar
Plaats 3 boules achter elkaar met korte tussenstand (10 á 15 cm) en probeer enkel de middelste boule te schieten.
Horizontale schietoefening
Horizontaal naast elkaar liggende boules om de juiste richting in te schatten, plaats 3 boules naast elkaar met korte tussenafstand (10 cm) en probeer enkel de middelste boule te schieten.
Schuin liggende boules
Om de juiste richting en afstand in te schatten. Plaats 3 boules schuin naast elkaar met tussenafstand (10 cm) en probeer eerst de middelste dan de achterste en daarna de laatste boule te schieten.
Alleen liggende boules
Dit is de moeilijkste oefening gezien er geen referentiepunt aanwezig is.
a. Probeer deze zuiver te raken
b. Diagonaal liggende boules zijn het moeilijkst
But schieten
Door een vizier op het doelwit te plaatsen
a. Door de vorm te geven van een vizier is dit gemakkelijker dan het er uit ziet. b. Plaats een boule voor/achter/links-naast/rechts naast (4 boules +/- 15 cm) in kruisvorm rond de but.